Mussels from Brussels

Waar zijn die oesterbedden, mosselbanken en zalmkwekerijen dan in Brussel? Brussel is, bizar genoeg, een stad die vrij bekend is voor zijn vis en zeevruchten. Toch vreemd voor een stad die meer dan 100 km van de zee af ligt. Maar het aantal visrestaurants en viskraampjes in Brussel doet vermoeden dat er toch iets speciaals aan de hand is. Brussel het Normandië van het noorden, het Bretagne van de Lage landen?

Op zoek naar een mogelijk antwoord ontmoet ik Jeannot, een Fransman, 40 jaar geleden neergestreken in Brussel. Het kraampje heeft hij 25 jaar geleden overgenomen van zijn toenmalige patron en sindsdien staat hij 6 dagen per week op het Sint-Katelijneplein met oesters en mosselen. En ik stel de vraag natuurlijk ook aan Jef van de escargot-, oesters-, mosselen- en kastanjeketen: Jef & Fils. U kent hem wel, een klein koddig, Brussels mannetje dat escargots en meer verkoopt aan de Beurs.

Hoe ‘t vroeger zou kunnen geweest zijn

De laatste vertelt me iets intrigerends over zijn grootmoeder. Die zou begonnen zijn met escargots te verkopen op de ‘Foire du Midi’, begin vorige eeuw.
Ik probeer me de sfeer op te roepen van toen in Brussel en, kijkend naar Jef, zie z’n grootmoeder in haar kraampje op de ‘Foire du Midi’, escargots verkopend aan het rondstruinend volk. Laten we eens rondkijken wat er nog allemaal te vinden is begin twintigste eeuw.

Bij de mosselverkoper krijg je in 1902 voor vijf centiemen zoveel mosselen als je op kan. De saus is een azijnachtige substantie die extra scherp en dik wordt gemaakt opdat de klant minder mosselen zou eten.

Wat verderop, op een bankje zitten drie lijvige vrouwen met voor hen elk een mand: garnalenverkoopsters. Garnalen gaan trouwens wonderwel samen met die twee typisch Brusselse bieren: geuze en kriek lambiek. Net als eieren, hardgekookt en met wat zout besprenkeld. Aan de cafés en terrasjes op de Boulevard du Midi vind je overal mannen en vrouwen die porties eieren en garnalen verkopen.

Op de Kapellemarkt vinden we ons eerste echte ‘viswijf’: Josephine verkoopt ‘schollen’: gezouten en gedroogd in de wind. De beste maand voor de schollen, vertelt ze me, is eigenlijk juni en er is geen plek als de Marollen om ze te degusteren want in de Hoogstraat zijn er echte ‘Scholle Kermissen’, waar de eerbiedwaardige schol in al z’n glorie wordt gefêteerd.

Vlakbij de rommelmarkt op het Vossenplein loopt er veel volk rond natuurlijk. Ideaal voor de verschillende viskraampjes die je in de buurt vindt. Minstens 100 meter van de markt moesten ze blijven, want op de markt zelf mochten – en mogen trouwens nog altijd – geen etenswaren verkocht worden. Kabeljauw, zeebrasem, baars, schelvis, schol, zien we op de kar gestapeld, op grote stapels ruw ijs. Maar vooral de haring is zeer in trek, de forel van de zee is goedkoop en voedzaam.

De volgende dag, het is nog beestig vroeg en in de stad sluipt langzaam het eerste licht binnen in de straten. De kasseien liggen er nog vochtig bij en in Vorst volgen we de stem van de visverkoper die luidkeels zijn haring slijt, in ware Zeeuwse stijl; met een draagarm over de schouders gedrapeerd, aan beide uiteinden een emmer bungelend. ‘Haring, verrrrrrse Hollandse Haring’, schalt hij luid door de straten. De man lijkt rechtstreeks van Zeeland komen stappen.

Het is een kleine greep beroepen die we teruggevonden hebben dankzij een amateurfotograaf, liefhebber van Brussel die tijdens zijn wandelingen foto’s nam van mensen met ambulante beroepen. Het zal wel nooit meer als vroeger worden – gelukkig maar – maar wat vinden we nog een eeuw later?

En wat er nu nog is.

In het stadscentrum hebben eetkraampjes behoorlijk wat succes. Jef en Jeannot zijn regelrechte relicten die wars van alle stadsevoluties eigenlijk nog exact hetzelfde métier als de ‘viswijven’ van hierboven, uitoefenen.

Toen de escargotverkoopster op de hoek van het Sint-Katelijneplein er mee stopte een 15-tal jaar geleden was vishandel Noordzee er als de kippen bij om een toog te installeren waar ze oesters met een glaasje wijn en vissoep verkopen aan de voorbijganger. Een groot succes, getuige de flinke rijen bezoekers die er elke dag staan te genieten. Zo’n succes dat de Portugees van de overkant prompt ook een toog inrichtte net buiten z’n winkel maar de mensen staan blijkbaar toch liever aan de kant van de Noordzee voorlopig. En al die verhoogde oesteractiviteit zint Jeannot dan weer niet. Want hij was er toch het eerst met z’n oesters.

Jef is ontegensprekelijk de man met de meeste ervaring: 52 jaar. Als kadéke van 14 begon ie mosselen te openen (blijkbaar de lakmoesproef voor ieder die een carrière in de hogere schaaldierkunde ambieert) en langzaam klom ie op tot verkoper met z’n eigen geheim recept.

Jef is al de derde generatie van een familie escargotverkopers. En de traditie wordt verdergezet. Hij heeft drie zonen maar er is er maar een actief in de branche, de oudste, zoals het hoort in familiedynastieën. Jef verkoopt escargots maar intussen ook oesters wat hem een reprimande opleverde van Jeannot die wat meer solidariteit had verwacht van een collega van het vak. Ik heb wel begrip voor Jeannot. In korte tijd zag hij het aantal oesterboeren zomaar even verviervoudigen in de buurt.

Jef heeft zijn vaste standplaats tegenover de Beurs langs de Anspachlaan. Aan de overzijde verkoopt zijn vrouw gepofte kastanjes. Het koppel doet me vaagweg denken aan de twee standbeelden van Albert en Elisabeth aan de Kunstberg. Smachtend kijken ze naar elkaar maar gebonden aan hun kraampje zijn ze gedoemd om elk aan hun zijde van de Anspachlaan te blijven. Escargots maken een mens toch een beetje nostalgisch en romantisch.

Note: De beroepen heb ik teruggevonden in een boekje met amateurfoto’s uit het begin van vorige eeuw. Het boekje heet ‘Métiers de la Rue’ en is samengesteld door Gustave Abeels. Helaas vermeldt hij de naam van de amateurfotograaf niet.


Over dit bericht